R.W. 59 jaar
 
Hij is de held van het trap op, trap af lopen.
“Ik liep eigenlijk maar wat, ik kende niemand
waar moest ik heen?” Zijn taalgebruik is
aangesloten op de kleine details van het overleven.
Het rammelt in zijn hoofd waar zijn ogen hebben
losgelaten en geen verschil meer zien tussen binnen
en buiten. Elke dag wikkelt hij af volgens de
dagindeling van een vlieg. Hij schuift onder de dag
door en kent van de nacht de kruipruimte
waaruit hij stotterend zijn dromen doorgeeft.
Met zijn handen van koud weer tast hij soms naar
een woord maar vindt de microgrammen van de
avondschemer.
Heeft hij werkelijk vier moeders gehad?
Waarom loopt hij alsof hij een gebaar maakt?