'Het geordende'

'Het greep in elkaar op een ademloze gesluierde zondagmiddag.

Eén klik (de waterkoker sprong af) en

   als op bevel sprongen de voorwerpen in het gelid,

   verstarden onder de wil van mijn oog.

Een lepeltje bijvoorbeeld lag doodstil in zijn spoor

van cacao op vochtig wit porselein.

   Het was eerder voel- dan hoorbaar.

   Een ondergronds dwingend door de dag heen trommelen.

   Grijpen en rollen en stilstaan en grijpen...

Ik moest wel gehoorzamen aan dat belangwekkende ritme

van thee drinken roken kijken...

Daar lag het lepeltje met een vrouwtje als steel,

daar tikte een panbodem die afkoelde,

daar stond de la met de scherpste messen al open.

Ik bewonderde hun kleine ingenieuze ziel,

hun alertheid bij de eerste de beste

                                                 onderzoekende oogopslag.

Hoe een vorm in een vorm zit (als

een lichaam in steeds een andere kamer):

   Kijk, die hinkende man daar,

   was net een oude Bert en die jongen daar

   met die neus,

                      net een jonge Ralf.

   Zoals ik ze nu kende tenminste.

   Een jongere Bert / een oudere Ralf.

   Ja, daarzatenze

        in hun hoegenaamde gedaantes.

Toch kon ik er niet onderuit.

Ik hoorde de ruzie in onverstaanbaar dialect

tussen keurige rijen bieten en sla.

Ik zag de wegblaasbare kopjes van paardenbloemen,

- hoog alweer -  boven het pas gemaaide gras.

   Het mengelmoes zijn voltrok zich

   binnen zijn eigen strakke orde.

Zo beteugelde mijn kijken het denken,

hield het kolkende gevoel eronder,

   dwong het naar beneden

   via de arm naar de hand.

Liet het ontploffen in de vuist

en al naargelang mijn wilskracht

of de kracht van mijn hand

   volgden er zinnen woorden lettergrepen letters

   zo verwoed,

                   dat het kraste.

En het stond vast:

   als een dichter krast

   is krassen

                  het gedicht.'

Uit; Eskimoteren, Elma van Haren het gedicht Het geordende. Amsterdam 2000