'Het oog van de verbeelding'

Bijzondere opmerkingen van Meeuse in zijn essay 'Het oog van de verbeelding' over kijken, zien en lezen.

'Iedereen kent uit eigen ervaring het verschijnsel dat kijken in zien verandert. In het simpele feit dat het eerste werkwoord onovergankelijk en het tweede overgankelijk is, schuilt een interessant en wezenlijk verschil: het werkwoord 'kijken' drukt een vorm van eenrichtingsverkeer uit. 'Zien' daarentegen veronderstelt een relatie tot iets dat gezien wordt. En dat is een wederkerige relatie, in die zin dat het geziene iets bewerkstelligt in degene die ziet. De minieme ervaring van net-zoalang-kijken-tot-je-het-ziet is iedereen vertrouwd. Maar die overgang van kijken in zien is een eigenaardig fenomeen, dat niet causaal te verklaren valt: het gebeurt plotseling, zonder aanwijsbare reden. Kijken is wel een noodzakelijke, maar blijkbaar geen voldoende voorwaarde voor het zien. Het kijken is niet de oorzaak van het zien: je kunt lang kijken zonder iets te zien, en plotseling word je getroffen door iets. Ik zie pas iets als ik me ervan bewust word dàt ik iets zie. Zien is iets dat zich aan de objectiviteit en de causaliteit van het empirisch controleerbare waarnemen onttrekt. Het waargenomene lijkt mijn waarneming te veroorzaken, maar ook het omgekeerde geldt. ( Hier kom je in problemen terecht die beginnen te lijken op die van de Kopenhagse interpretatie van de quantummechanica, maar daar zal ik me wijselijk niet in begeven.) Trappen we hier misschien opnieuw die duivel, volgens Bertrand de inspirator van wat in de kunst 'idee' is, op de staart? Zien is dus iets meer dan een zuiver zintuiglijke aangelegenheid: het veronderstelt een actieve deelname van het bewustzijn. Het zien en het geziene ontstaan tegelijkertijd en beide zijn het aspecten van een en dezelfde verandering, die in mij plaatsvindt. Maar daardoor is voor mij ook de wereld in zekere zin veranderd: wat ik zoëven nog niet zag, al keek ik ook, zie ik nu wel. Het is deze simpele, en tegelijkertijd raadselachtige ervaring, die aan de basis ligt van dat andere waarnemingsbegrip: wie het zien begrijpt als een communicatie met het geziene, en als een transformatie, zowel van de waarnemer als van het waargenomene, die begrijpt ook dat dat de dichter-als-ziener in de eerste plaats iemand is die zich bewust is van het eigenaardige, 'dubbelzinnige' karakter van het zien. En dat verklaart, althans voor een deel, ook de aantrekkingskracht van de alchemie als poëticale metafoor: ook daar ging het immers om zo'n dubbelzinnig proces van veranderen en veranderd worden. Rimbauds 'alchimie du verbe' correspondeerde rechtsstreeks met een - bij hem al geforceerde - 'alchimie' van de zintuiglijke ervaring. Maar er is meer: het feit dat het vooral dichters en schrijvers zijn geweest die zich zo met magie en alchimie bezighielden, heeft ook te maken met het eigenaardige 'dubbele zien' dat het lezen ( en het schrijven)  veronderstelt. Want is lezen tenslotte niet een vorm van waarneming waarbij je 'meer ziet dan je ziet'? ( blz.186-187, Piet Meeuse; 'De slang die in zijn staart bijt'.)