Cees Nooteboom; uit de reeks 'De gezichten van het oog'

 

                   Tweede gezicht

 

Op een nacht die begon met een ochtend,

een tegenwaartse beweging, in een stad

van lagunes en bruggen,

zagen zij een monster vol schubben en mossen,

een huid van kruipende schimmels,

het open gat van een oog.

 

Kort was deze verblinding, maar nooit

zouden de zwervers vergeten

hoe dat oog zonder oog was gaan zwerven,

een licht van verterende bliksem

dat groeven en richels gekrast had

in het schriftloze steen van de kade,

 

het beeld van hun eigen gezicht.

(Uit de bundel  'Het gezicht van het oog' bladzijde 60)