Cees Nooteboom; BROOKLYN RESPONSORIUM. Een gedicht voor Leo Vroman

         BROOKLYN RESPONSORIUM

 

                                                            voor Leo Vroman

Je schreef je ontzet visioen,

en ik lachte omdat ik zag hoe je dacht,

hoe je als een eind touw duizend mensen bijeenhoudt

die ik niet ken. Jouw wereld is zo geslepen met onschuld,

een marmeren bal van geweld en van liefde

die lijkt op de bal van de sloper

maar maakt de vernietiging heel.

Ik ben iemand anders.

 

Het vogelhoofd ken ik,

het hangt aan de trap van de subway, als ik uit de hel kom

op aarde,

een monnik, een plastic pij, iemand die hier niet hoort

en er toch is,

iemand dus eigenlijk niet,

de vervaarlijke woordschim van Vroman,

een engel die verstand heeft van bloed.

 

Zo goed kan ik niet met je omgaan. Soms verkleed je je

in de echte wereld die dan heel zacht wordt,

een afspraak op verkeerde stations, een tweetonige stem,

dat soort gehuiver. Intussen besta je in letters

en ontzet je de spraak waarmee je, zachtsprekend, verwart.

Dat moet maar ik voel het.

 

Ik word van lood als ik bij jullie ben, zwaar en heel schamel.

 

Il lieg voortdurend een woord of zoek naar een dier.

Angst ook, dat er onder jouw zesde

geen verdieping meer is en ik niet zweef

maar ontbreek.

 

Nu zit ik achter je beeld en schrijft God.

Je haalt hem er uit en geeft hem mijn naam, of liever,

ik word het.

Dan heb ik weer het universum gemaakt, maar ik heb net

soep gegeten, Ik hoor hoe de dag valt

en bereken de tijd voor mijn vlucht.

 

's Avonds, veiliger nu, ligt God op zijn bed in zijn cel

en wil nog wat dichten. Maar al wat er komt is een krant

met paniek en rare berichten.

 

Buiten sirenes. Die zijn hier altijd. Misschien wel de echte.

Vierenveertig, een straat in de zee van Odysseus.

Ze roepen tot over het water

tot waar je woont. Nu ik hier ben,

nog verder dan anders,

in een andere meter van tijd.

 

' Twee witte reigers wachten ginds

in de lissen.'  Daar kun je je niet in vergissen.

Steeds ben je van alles, dichters en dokters,

de man van de duif en de man van de oorlog,

en de getuige, ooit, van wat niet door kon gaan.

 

Je haalt de einden van het touw wat aan

maar er is niets dat verandert.

Jij bent iemand anders.

Ik neem me mee hiervandaan.

(Uit de bundel ' Het gezicht van het oog'  bladzijde 73-74)