Albert Witteveen over 'Het gezicht van het oog' van Nooteboom.

'Een dergelijke intensiteit is kenmerkend voor de hele bundel. (Witteveen bespreekt hiervoor één van de gedichten van Nooteboom) Zij komt voort uit de botsing tussen taal en werkelijkheid, maar ook komt zij voort uit de gespannen verhouding tussen innerlijke beleving en de terughoudende buitenwereld. Deze verhouding is de drijvende  kracht achter 'Brooklyn Responsorium', het gedicht dat de vierde afdeling vormt. Als wisselzang geeft dit gedicht een reactie op het dichten en op de alledaagse persoonlijkheid van Leo Vroman. [...]

Het belang  van 'Het gezicht van het oog' ligt echter niet zozeer in het onthullen van een of andere diepere werkelijkheid. Het ligt vooral in het bewust maken van de menselijke ervaring van die werkelijkheid. Taal en waarneming die door conventies zijn voorgevormd, staan een directe beleving in de weg. De wrijving tussen de systemen van taal en van de waarneming van de werkelijkheid heeft een ruwende werking. 'Het gezicht van het oog' kent een brede variatie, maar ontleent aan die wrijving vooral de geconcentreerde intensiteit. Deze poëzie is bij vlagen ontroerend, mooi als een Spaanse dans, en bij vlagen verontrustend als een

            ... vuur dat

            Opsprong, losbrak, rondrende als

            Een dolgeworden wolf, schreeuwend en

            Bijtend naar nesten en spinrag.' ( 'Vuur' r. 6-9)