‘De paardenduistere’
 
Het paard wordt altijd een oorgetuige
want kan niet meer zo ver kijken;
ze hebben de vleugels afgeplakt,
zijn rusteloosheid verbannen.
 
Onder de schoenen van de ruiter
zitten horloges of insecten.
 
Hij neemt intrek in een paard
en kan de natuur nakijken
met een rode pen. Hij kent
de dienstregeling van de wolken
van buiten; in een zwerm spreeuwen
leest hij ’t noodlot af.
 
Het verhaal tussen bevel, pijl
en paard is nog steeds niet
ingevuld. Hij is ooggetuige.