Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
‘Voorwoord
Een jaar later nam meubelmaker Zimmer hem in zijn huis in Tübingen op, waar hij
de tweede helft van zijn leven,
zesendertig jaar lang, in de torenkamer doorbracht, met schitterend uitzicht op
de Neckar, waaraan hij in vroegere
tijden een gedicht had gewijd.
De eerste jaren kende hij aanvallen van razernij, daarna werd hij rustig, was
alert, niet gevoelloos, praatte onafgebroken
met zichzelf, was ook aanspreekbaar, als hij met mensen verkeerde bij wie hij een
onbevangen genegenheid bespeurde.
Zijn trots bleef hij behouden. Hölderlin wist heel goed dat hij Hölderlin was,
ook al noemde hij zichzelf soms anders. Maar
vaak was hij ook verdrietig. Dan dichtte hij, staande aan zijn lessenaar en met
zijn linkerhand het metrum meetikkend:
‘Het aangename dezer wereld heb ik genoten,/De uren van mijn jeugd zijn
hoelang! hoelang! vervloten,/ April en mei
en juli zijn vervaagd,/ Ik ben niets meer, ik leef niet meer zo graag!’
Zo leefde hij voort, tot 1843.
Zijn grote doorbraak maakte hij niet meer mee. Die kwam pas rond 1900. Sindsdien
leeft Hölderlin in het culturele geheugen
voort, onvergetelijk. Maar als ‘klassieke schrijver’ of als een al bijna
mythische figuur. Heel ver weg in elk geval.
Daarom deze toenadering, in alle behoedzaamheid. ‘Kom! in het opene, vriend!’
‘
(Bladzijde 12-13) Morgen verder met hoofdstuk 1.