Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 6
‘Wutz laat regelmatig de ‘beurscatalogus’ komen en omdat hij krap bij kas
zit, schrijft hij de daarin aangekondigde
romans zelf. Langzamerhand raakt hij van mening dat zijn opschrijfboekjes de
eigenlijke originele boeken zijn. Als
hij, welgestelder geraakt, de eigenlijke originele boeken leert kennen, beschouwt
hij ze allemaal als vervalste herdruk-
ken. Die invloed aan romans dreef de literatuurcritici tot wanhoop. ‘Van de
talrijke romans,’ schreef Friedrich Schlegel
in 1797, ‘die met elke beurs onze boekenlijsten meer doen opzwellen,
beëindigen de meeste de kringloop van hun on-
beduidende bestaan zo snel om zich in de vergetelheid en het stof van oude boeken
in de leesbibliotheken terug te trek-
ken dat de kunstbeoordelaar ze heel dicht op de hielen moet zitten om niet de
narigheid mee te hoeven maken zijn oor-
deel over een geschrift te vormen dat eigenlijk al helemaal niet meer bestaat’
(F. Schlegel, Kritische Schriften, 23).
Dat nieuwe korte bestaan zal Hölderlin in eerste instantie weinig hebben
afgeschrikt, want het ging er hem juist om
überhaupt eens voor het voetlicht te treden. Hij had al heel lang gedroomd over
de lauweren van de roem. Die moesten
sinds kort goedschiks of kwaadschiks op de literatuurmarkt bevochten worden.’
(Bladzijde 85) Morgen verder met dit hoofdstuk 6.