Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ can Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 6
‘ Hij zal haar ook daar niet vinden. En teruggekeerd begint hij aan die hele
reeks brieven, die achteraf vertellen
hoe hij werd wat hij nu is, terwijl hij die brieven aan Bellarmin schrijft. En
wat is hij, hoe staat het er met hem voor?
Hijzelf ervaart zich als een wezen van de ‘schemer’, tussen licht en
duisternis. In die tussenwereld valt te leven,
als die onrust er maar niet was. Hölderlins laatste brief eindigt met de
beschrijving van een tafereel dat hem een
parabel van zijn eigen leven lijkt:
‘Onlangs zag ik een knaap langs de kant van de weg liggen.
Zorgzaam had zijn moeder, die over hem waakte, een deken
over hem uitgespreid, zodat hij zachtjes sluimerde in de
schaduw, en de zon hem niet verblindde. Maar de knaap wilde
niet blijven, hij rukte de deken af, en ik zag hoe hij probeerde
het vriendelijke licht aan te kijken, hoe hij dat steeds weer
probeerde, tot zijn ogen hem pijn deden en hij zijn gezicht
huilend naar de aarde keerde.
Arme knaap! dacht ik, anderen vergaat het niet beter, en
ik had me bijna voorgenomen af te laten van die roekeloze
nieuwsgierigheid. Maar ik kan het niet! Ik mag het niet!
Het moet tevoorschijn komen, het grote geheim dat mij het
leven geeft, of de dood.’ (MA I, 509 ev.)’
(Bladzijde 92-93) Morgen verder met dit hoofdstuk 6.