Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 8
‘Maar in de aanbrekende wilde jaren van de filosofie was men niet van zins die
Königsbergse beheersing over te
nemen. Men wilde het ‘Ding an sich’ onthullen, het in het hart van de wereld
brengen. Dat kon van twee kanten, van
de subjectieve kant, dus vanuit de geest, of van de objectieve kant, dus vanuit
de materie. De eerste weg leidde naar
het idealisme, de tweede naar het materialisme en het naturalisme. Langs beide
wegen zocht men een toegang tot wat
de wereld ten diepste samenhoudt, een binnendringen in het geheim van het zijn,
ideeën voor de vernieuwing van de
zijnsverbondenheid. In het ene geval vergeestelijkt men de natuur en in het
andere geval naturaliseert men de geest,
in het ene geval ontsteekt men het vuur van de vrijheid en in het andere geval
verdwijnt de vrijheid in determinisme en
causaliteit. Men ziet de mens dan als alom bepaald en vat hem op, zoals Schiller
zegt, als ‘ding onder dingen’.
Schelling, die als jongste van zijn jaargang nog een tijd in het Stift had
moeten blijven, was degene die in zijn in 1795
geschreven geniale studie ‘Vom Ich als Prinzip der Philosophie oder über das
Unbedingte im menschlichen Wissen’ die
alternatieven van idealisme en naturalisme helder had benoemd.’
(Bladzijde 116) Morgen verder met dit hoofdstuk 8.