Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofstuk 10
‘Zo was, meldde Choiseul-Gouffier, generaal Orlov door de Russische
beschermende mogendheid gedwongen
de zogenaamde Griekse vrijheidsstrijders ‘te ontslaan en als rovers weg te
jagen, die niet waren gekomen om te
strijden voor de gemeenschappelijke vrijheid, maar om hun medebroeders uit te
plunderen’ (geit. naar KA 2, 936).
Hölderlin laat zijn Hyperion aan die erbarmelijke gebeurtenissen deelnemen,
en die schrijft daarna volkomen ge-
desillusioneerd aan Diotima: ‘Het is uit, Diotima! Onze mensen hebben
geplunderd, gemoord, zonder onderscheid
[…] Inderdaad! Het was een abnormale onderneming om mijn Elysium te
verwezenlijken met behulp van een rovers-
bende’ (MA I, 720).
Hyperion is teleurgesteld, niet alleen door de mensen met wie hij zich
verbonden voelt, maar ook door zichzelf: zijn
idealen hebben hem blind gemaakt voor de armzaligheid van de mensen. Uiteindelijk
moet Alabanda hem zelfs redden
van de moordlust van zijn eigen kameraden. Hyperion schaamt zich voor Diotima en
stort zich weer in gevechten, maar
alleen om de dood te zoeken. Hij overleeft.’
(Bladzijde 148-149) Morgen verder met dit hoofdstuk 10.