Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 10
‘Hyperion voelt zich door Diotima tot dichter geroepen, Hölderlin door
Susette.
Hölderlin stuurde het eerste deel van zijn ‘Hyperion’ naar Schiller en
verontschuldigde zich voor zijn zwijgen in
de achterliggende maanden. Hij schreef: ‘Ik ben onontkoombaar van u
afhankelijk’, en daarom moest hij proberen
hem tijdelijk te ‘vergeten’, om tijdens het schrijven aan de roman ‘niet
angstig te worden’ (20 juli 1797; MA II, 655).
Schiller had indertijd voor ‘Thalia’ het ‘boekje’ aangenomen, toen het
nog ‘dor en armoedig’ was. ‘Ik ben er met een
vrijere geest en een gelukkiger gemoed opnieuw aan begonnen en verzoek u om de
goedheid te hebben het bij ge-
legenheid door te lezen en me langs enige weg uw oordeel te laten weten’ (id.
656).
Een oordeel van Schiller over dat eerste deel van ‘Hyperion’ is niet
bekend. Maar de twee gedichten die Hölderlin
aan de brief toevoegde – ‘De zwerver’ en ‘Aan de ether’ – krijgen een
staartje.
Schiller, die steeds bereid was Hölderlin te stimuleren en te steunen, voelde
zich ditmaal bij zijn oordeel over de
gedichten onzeker. Zonder de auteur te noemen stuurde hij ze naar Goethe om diens
oordeel te vernemen.’
(Bladzijde 154) Morgen verder met dit hoofdstuk 10.