Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 10
‘In eerste instantie is er geen direct verband met huize Gontard, als hij
schrijft: ‘Maar wie behoudt zijn fraaie houding
als hij zich door de drukte heen worstelt, waar iedereen hem heen en weer duwt?
En wie vermag zijn hart binnen fraaie
grenzen te houden als de wereld met vuisten op hem inslaat?’ (MA II, 668). Maar
omdat Hölderlin eerder over de al te
talrijke partijtjes in huize Gontard geklaagd had, wordt duidelijk dat met de
aansluitende opmerkingen over het ‘duizend-
voudige iets van het samenleven’, waarin alleen de ‘afgrond van het niets’
(id.) gaapt, het leven bij de Gontards bedoeld
is. Maar, zoals gezegd, dat zijn allemaal opmerkingen die niet direct zijn
situatie in huize Gontard ter sprake brengen.
Dat is voor het eerst wel het geval in de brief aan zijn moeder uit november
1797. Enerzijds beschrijft hij duidelijk wat
hem niet bevalt, anderzijds wordt met behoorlijk wat raffinement een mededeling
over zijn liefdesaffaire met Susette ont-
weken. Te veel openhartigheid tegenover zijn moeder was voor Hölderlin
onmogelijk. Tegenover haar kon hij de angstige
consideratie met het zogenaamd betamelijke niet afleggen. Hij schrijft dus: ‘U
vraagt wat nu, op het moment dat ik dit
schrijf, mijn gemoedstoestand is? Als ik eerlijk ben, dan moet ik u zeggen dat ik
met mezelf overhooplig’.’
(Bladzijde 156-157) Morgen verder met dit hoofdstuk 10.