Weer verder met; ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 10
‘Niettemin zijn er aanwijzingen dat hij zich ontstemd heeft uitgelaten: de
huisleraar zou te veel tijd met zijn vrouw
doorbrengen. Enkele decennia later noteerde Karl Varnhagen von Ense het gerucht
dat Gontard de ‘arme dichter’,
die hij ‘in een lieflijk gesprek, vast en zeker onschuldig, maar toch innig en
daardoor verdacht’ had aangetroffen,
een ‘oorvijg’ had verkocht (St.A., 122).
Al blijft het onduidelijk wat Gontard precies mag hebben gezegd, het moet in
elk geval iets geweest zijn wat Su-
sette aanleiding heeft gegeven Hölderlin te verzoeken het huis onmiddellijk te
verlaten, wat ze vervolgens betreur-
de, zoals uit haar eerste brieven aan Hölderlin uit oktober 1798 blijkt. ‘Ik
heb het al vaak betreurd dat ik je bij het af-
scheid de raad gegeven heb je meteen te verwijderen, ik begrijp nog steeds niet
vanuit welk gevoel ik het je zo drin-
gend heb moeten verzoeken, maar ik denk dat het de vrees was voor de hele
affectie van onze liefde, die te luid in
mij werd bij die gewelddadige breuk, en het geweld dat ik voelde maakte me meteen
te inschikkelijk […] (MA II, 702
ev.).’
(Bladzijde 157) Morgen verder met dit hoofdstuk 10.