Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 10
‘’Ik kan het bijna niet verdragen dat je weg bent […] Mijn vader vroeg bij
het eten waar je was, ik zei dat je was
weggegaan […] Mijn moeder is gezond en laat je vele malen groeten en hoopt dat
je nog vaak aan ons denkt,
ze heeft mijn bed in de balkonkamer laten zetten en wil alles wat jij ons geleerd
hebt weer met ons doornemen.
Kom weer snel bij ons, mijn Holder; bij wie moeten we anders leren?’ (MA II,
699 ev.).
Korte tijd later verbood Gontard zijn zoon enig verder contact met Hölderlin.
Hölderlin trok naar Homburg, in de omgeving van zijn vriend Sinclair, die hem
onderdak in zijn huis aanbood.
Maar omdat hij niet ‘in een zekere afhankelijkheid’ wilde geraken (schreef
hij aan zijn moeder, oktober 1798, MA
II, 705), gaf hij er de voorkeur aan alleen te gaan wonen, bij glazenmaker Wagner
in de Haingasse, voor 70 gul-
den per jaar. ‘Ik woon’, schreef hij aan zijn zus, ‘aan de rand van het
open veld, ik heb een tuin voor mijn raam en
een heuvel met eikenbomen, en het is maar een paar stappen en ik ben al in een
mooi weidedal. Daar ga ik heen
[…], beklim de heuvel en ga in de zon zitten, en ik kijk over Frankfurt heen
de wijde verte in […]’ (maart 1799;MA
II, 749).
Dat hij naar Frankfurt en dus in de richting van Susette kijkt – dat schrijft
hij niet.’
(Bladzijde 158) Morgen verder met hoofdstuk 11.