Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 11
‘Poëzie mag dan wel helpen ‘al het menselijke in ons en anderen in steeds
vrijer en inniger verband te brengen, in
een overdrachtelijke voorstelling of in de werkelijke wereld’, maar als de tijd
van handelen gekomen is, omdat ‘het
rijk van de duisternis met geweld wil inbreken, dan gooien we de pen onder de
tafel en gaan in Gods naam daarheen
waar de nood het hoogst is en wij het dringendst nodig zijn’ (MA II, 729).
Dat opgeven van de poëzie ten gunste van politiek handelen had Hölderlin ook
tevoren steeds overwo-
gen op momenten dat de situatie dat leek te vereisen, bijvoorbeeld in november
1794, toen hij aan Neuffer schreef:
‘Als het moet breken wij ons ongelukkige snarenspel af en doen waar de
kunstenaars van hebben gedroomd!’ (MA
II, 553).
Ditmaal, begin 1799, leek het echt menens te worden. Sinclair en zijn vrienden
en met hen Hölderlin verwachtten
de omwenteling. Dat was de achtergrond van Hölderlins toespelingen in de brief
aan zijn moeder van begin maart
1799: ‘Ik kan u ditmaal maar weinig schrijven. Ik ben te druk […] het is
waarschijnlijk dat de oorlog […] ons Würtemm-
berg niet met rust zal laten […] In het geval dat de Fransen een gelukkige hand
hebben, zullen er in ons vaderland
misschien veranderingen komen […] Dat u bij bepaalde mogelijke voorvallen geen
onrecht wordt aangedaan, daar-
voor zal ik met al mijn krachten zorgen, en misschien niet zonder succes’ (MA
II, 746).’
(Bladzijde 161-162) Morgen verder met dit hoofdstuk 11.