Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 11
‘Wie alles kan, schept ook zijn goden zelf: ‘wat zijn/ De goden en hun geest,
als ik ze niet/ Verkondig – nu, zeg dan,
wie ben ik?’ (MA I, 857; v. 509-511). Het nadeel is alleen dat die
zelfgeschapen goden iemand niet meer kunnen ver-
vullen als een alomvattend ‘zijn’. Wie alleen van zichzelf vervuld is, is tot
leegte gedoemd. Empedocles is als gevolg
van de hybris van zijn zelfmachtiging getekend door dat noodlot. Zo zien we hem
in het eerste bedrijf, en zoals gezegd:
in het ‘Frankfurter plan’ was hij zo niet voorzien.
Anders dan in het ‘Frankfurter plan’ speelt in de eerste versie ook het
verlangen naar vereniging met de eindeloze na-
tuur in de vuurmuil van de Etna aanvankelijk nog geen rol. Dat verandert pas in
het tweede bedrijf. Empedocles heeft
zich met zijn ‘lieveling’ Pausanias teruggetrokken in de omgeving van de
Etna; hij is nog steeds ontmoedigd en van al-
le goede geesten verlaten. Dan, bij het drinken uit een bron, vindt de
plotselinge verandering plaats – uiterlijk volkomen
ongemotiveerd en daarom ook geheel ondramatisch. In plaats daarvan de simpele
regieaanwijzing: ‘Van nu af aan moet
hij als een hoger wezen zijn, geheel in zijn eerdere liefde en macht’ (MA I,
810; bij v. 1085).’
(Bladzijde 168) Morgen verder met dit hoofdstuk 11.