Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 11
‘Tot het eigene hoort ten slotte ook een fundamenteel religieus probleem,
dat grondig behandeld wordt via het lot
van Empedocles. In de eerste versie treedt een priester op als klerikale
machtspersoon, die de religieuze energie
exploiteert en gebruikt ten behoeve van de macht. Daar vindt Hölderlin vijandige
woorden tegen de klerikale theo-
logen, onder wie hij in het Stift zelf geleden heeft. Pas in de tweede versie
duikt dan de andere vraag op: hoeveel
goddelijks, hoeveel transcendentie kan de mens aan? De priester treedt nu niet
alleen op als klerikale machtspersoon,
maar ook als wijze die verklaart: ‘Niet aanwezig raken/ mag het goddelijke voor
hen’ (MA I, 841; v. 13 ev.). De bood-
schap hier is niet de eis het goddelijke te laten verdwijnen of te loochenen,
maar om het te behouden in een geritua-
liseerde, vormgegeven, indirecte samenhang – ‘in het lied/ Gehuld’, zoals het
in de hymne ‘Als op de rustdag …’ heet
(MA I, 263; vs. 59 ev.). Dat Hölderlin bij zijn verdediging van het indirecte en
bij zijn waarschuwing voor het teveel aan
directheid ook voor eigen parochie preekt, tonen duistere toespelingen in zijn
brieven aan, bijvoorbeeld als hij aan Böh-
lendorff schrijft dat het hem verging als iemand ‘die meer van goden gewerd dan
hij verduren kon’ (MA II, 914). Dat the-
ma zal ons nog bezighouden.’
(Bladzijde 170-171) Morgen verder met dit hoofdstuk 11.