Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 11
‘Via Neuffer wendde Hölderlin zich tot uitgever Steinkopf in Stuttgart, die
wel kon warmlopen voor het project, maar
erop aandrong auteurs te kiezen die het publiek aanspraken. Hölderlin schreef in
de maanden juni en juli 1799 werven-
de brieven aan Goethe, Von Humboldt, Schiller, Schelling en anderen. Tegenover
Schelling legde hij zijn project het uit-
voerigst en heel filosofisch uit. Het gaat erom, schrijft hij, de drang tot
ontwikkeling weer te wekken, die het gevaar loopt
In een materieel gedomineerde en op het nut gerichte cultuur te verkommeren. Dat
had hem op het idee van een tijdschrift
gebracht dat geschikt zou kunnen zijn het poëtische en de poëten uit hun
isolement te halen door meer te letten op het ‘ver-
enigende en gemeenschappelijke’ (MA II, 792). Hölderlin zinspeelt hierop in
het in het ‘systeemprogramma’ van de vrienden
ontwikkelde plan om een nieuwe gemeenschapsvormende mythe te creëren.
Je kunt aan die brief aan zijn vriend aflezen hoe ongemakkelijk Hölderlin
zich voelde in de rol van iemand die zakelijk de
boer op moet.’
(Bladzijde 172) Morgen verder met dit hoofdstuk 11.