Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 11
‘De omslachtige uitleg van het project moet niet, schrijft hij, de indruk
wekken dat hij zijn vriend ‘enigermate
rekenschap verschuldigd’ is, en hij voegt er het bedeesde vermoeden aan toe
‘dat ik het vertrouwen dat je
vroeger in mijn filosofische en poëtische krachten leek te hebben nu […] niet
meer in dezelfde mate bezit’
(MA II, 793).
Schelling antwoordde vriendelijk en stelde bijdragen in het vooruitzicht. Maar
de meeste anderen gingen
niet op het voorstel in, ook Schiller niet, die hem dat hele project afraadde:
‘De ervaringen die ik als uitgever
van periodiek verschijnende publicaties sinds zestien jaar opdoe, waarin ik op
niet minder dan vijf verschillen-
de vaartuigen in de zee van de literatuur die vol klippen ligt het bevel heb
gevoerd, zijn zo weinig troostend
dat ik als oprechte vriend u niet kan aanraden hetzelfde te doen’ (MA II, 805).
In de herfst van 1799 moest Hölderlin wel toegeven dat zijn project was
mislukt. Hij liet het aan Steinkopf
over het voort te zetten. Als er toch iets van zou terechtkomen, rekende hij erop
eigen werk daar te kunnen
uitgeven, misschien het fragmentarische ‘Empedocles’.
De teleurstelling ging diep. In een briefconcept aan Susette van september
1799 schrijft hij over de ontmoe-
digende kant van de zaak: ‘Het project met het journaal […] lijkt me te
willen mislukken.’ ‘
(Bladzijde 172-173) Morgen verder met dit hoofdstuk 11.