Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 11
‘Haar behoedzaamheid en angst namen toe. Het werd steeds moeilijker
ontmoetingen te regelen. Daar kwam bij
dat ze beiden dat stiekeme gedoe onwaardig en ook uitzichtloos vonden. Maar omdat
ze voorlopig niet wilden af-
zien van die ontmoetingen, werd het een marteling. Er rustte geen zege op. Na een
van die ontmoetingen schreef
Susette: ‘Je bent toch gekomen! […] Je hebt je toch niet om mijnentwille
beroofd van een pleziertje? […] Ik weet
niet, ik ben zo bang, ik denk steeds dat we zullen worden verraden en dat de
hindernissen die nu al bijna niet te
overwinnen zijn nog erger worden […] Zag je er niet bleek uit? Je bent toch
niet ziek geweest? Je houdt je sterk,
dat weet ik, om mijnentwille – En ook al ontzeg je je geen plezier als dat zich
aanbiedt, zoeken doe je dat niet?
Maar je wijst het ook niet onvriendelijk af! […] Vaarwel! Vaarwel, ver of
dichtbij, maar altijd bij mij. En zó met mij
vervlochten ben je dat niets jou van mij kan scheiden […]’ (MA II, 858).
Zo gaat het maar door. Ze bezweert zijn nabijheid, verzekert dat haar geliefde
in haar hart woont, dat niets hen
kan scheiden, ook als de ‘wereld’ het niet wil toelaten. Dan weer komt alles
in haar in opstand, omdat ze haar lief-
de niet openlijk kan uitleven.’
(Bladzijde 174) Morgen verder met dit hoofdstuk 11.