Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 11
‘Ze is heel alleen, schrijft ze, ‘met mijn edele liefde in mijn hart,
verontwaardigd erover dat die niet mag zijn, terwijl
ijdelheid en armzalig leven voortgang in de wereld maken’ (MA II, 839).
De grote gevoelens moeten dus voor de wereld verborgen blijven, dat is al erg
genoeg, maar nog erger is de angst
dat in de verborgenheid de grote gevoelens zouden kunnen verkommeren: ‘In mijn
geest is alles zwart, en het ver-
schrikkelijkste is als onder het harde lot onze tedere liefde zou verstikken, als
het uiteindelijk dof zou worden in onze
inborst, ons leven verloren zou zijn en ons niets anders resteerde dan een
troosteloos bewustzijn’ (MA II, 744).
Ze wil haar geliefde vasthouden en tegelijk loslaten, ook al gaat dat haar
krachten te boven: hij moet voor zijn verdere
welslagen geen rekening met haar houden. Als er zich ergens een mogelijkheid
voordoet, moet hij die aangrijpen, maar
hij moet niet een positie aannemen alleen om in de wereld of zelfs iets voor haar
te betekenen. Hij heeft zoiets niet van
node, hij mag nooit vergeten wat voor ‘kostbare mens’ hij is.’
(Bladzijde 174) Morgen verder met dit hoofdstuk 11.