Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 11
‘Toen Hölderlin in de zomer van 1799 weer eens overwoog naar Jena terug te
keren om in de buurt van Schiller
te zijn en daar aan de universiteit een docentschap te verwerven, ondernam
Susette met een vriendin een reis naar
Thüringen en bezocht ook Schiller in Jena. Ze had zich in Schillers tuinhuis
‘vreemd weemoedig’ gevoeld, schrijft ze
aan Hölderlin, ze was er maar even gebleven. Het verging ook haar als hem: ‘In
die schone ziele kon ik me niet klein
spiegelen.’ Eigenlijk wilde ze bij Schiller een goed woordje doen voor haar
geliefde, maar ze kon geen woord uitbren-
gen. Ze was te geïntimideerd. Maar ze kende ook wat voorbehoud bij de plannen
van Hölderlin, want ze was jaloers.
Jena was voor haar verbonden met een liefdesaffaire van Hölderlin, al wordt niet
duidelijk welke ze bedoelde. Heeft
Hölderlin haar iets over Kirms verteld, heeft ze het gerucht gehoord dat
Charlotte von Kalb verliefd was geweest op
haar huisleraar, of heeft ze geloof gehecht aan een ander gerucht, dat over een
amourette tussen Hölderlin en Sophie
Mereau? Hoe dan ook, Susette smeekte Hölderlin: ‘Ga daar niet naar terug,
waarvandaan je met verscheurde gevoe-
lens in mijn armen bent gevlucht’ (MA II, 832).
We weten niet hoe Hölderlin Susettes angsten tot bedaren heeft gebracht.’
(Bladzijde 174-175) Morgen verder met dit hoofdstuk 11.