Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
‘In die maanden ontstonden of werden geconcipieerd onder andere de grote
elegie ‘Menons klagen om Diotima’,
de afscheidszang op Susette; het hymnische gedicht in hexameters ‘De
Archipelagus’, een schitterende uitbeel-
ding van de geest en de mediterrane cultuur, de wieg van het Avondland; de elegie
‘Brood en wijn’, een bezwering
van de motieven van het opkomen en ondergaan van het goddelijke, de epifanieën
en verduisteringen ervan; de
fragmentarische hymne ‘Als op de rustdag …’, die de tragedie van het
religieuze dichten in een goddeloze tijd als
onderwerp heeft, een werk dat Hölderlin als de dichter van het dichten toont; de
hymnen ‘Heidelberg’, ‘Stuttgart’ en
‘De Neckar’, die de genius loci van die plekken laten spreken en met het
eigen levensverhaal verbinden; en niet in
de laatste plaats de liefdesverklaring aan Landauer, die begint met de
gevleugelde woorden: ‘Kom! in het opene,
vriend!’ (MA I, 308).
Die onvoltooide, uit distichons, dus vers-paren, samengestelde elegie draagt
als titel ‘De tocht naar buiten’. Aan-
leiding is het pannenbier van een logement voor de poort van de stad, waar
Hölderlin samen met Landauer aanwe-
zig was.’
(Bladzijde 180-181) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.