Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
‘Een alledaagse gebeurtenis, maar het krijgt een eigenaardige glans. In het
concept staan regels die later wegge-
vallen zijn: ‘Maar vraagt iemand mij, wat moeten goden in een herberg?/ Hem zij
geantwoord, ze zijn, als minnaars,
feestelijk gelukkig.’ Waarom dus geen goden in de herberg, want ze zijn bij de
geliefden, in het ‘opene’, ze zijn over-
ral waar het er levendig aan toegaat, wat dan wel tot gevolg heeft: ‘Ook goden
bindt een lot’ (MA I, 310). Ze zijn verwe-
ven met de aangelegenheden van de mensen, ze verlenen aan hen glans, diepte en
betekenis.
Onderweg naar de herberg, waar het pannenbier gevierd gaat worden, is het weer
en de stemming nog somber: ‘en
bijna wil het/ lijken of het is als in de loden tijd’ (Ma I, 308, v. 5 ev.).
Langzaam wordt het helderder, buiten en binnen,
door het aansprekende landschap en het licht en als gevolg van woord en
handeling:
‘Daarom zelfs hoop ik, er zal, als het verlangde
Wij beginnen en onze tongen losgekomen,
En gevonden het woord en opengegaan het hart is,
En van het dronken voorhoofd een hoger bezinnen ontspringt,
Met onze bloei tegelijk die des hemels begint,
En open voor de open blik de schitterende is,’
(MA I, 309: v. 13-18).’
(Bladzijde 181) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.