Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
5
‘Ongemerkt komen ze eerst, hun tegemoetlopen
De kinderen, te licht komt het geluk, te verblindend,
Ze verschrikken de mens, amper weet te noemen een halfgod
Bij naam wie of ze zijn die met hun gaven naderen.
Maar de moed die zij geven is groot, zijn hart raakt vervuld
Van hun vreugde en amper te nutten weet hij het goed,
Neemt en verspilt het en bijna werd het onheilige heilig
Dat hij met gewijde hand dwaas en goedmoedig beroert.
Zoveel het kan, dulden de hemelsen dat; maar dan in waarheid
Komen zij zelf en gewend raken de mensen aan het geluk
En de dag, te aanschouwen de zichtbaren, het aangezicht
Van hen die al lang Een en Al genoemd,
Diep het stille hart vervulden met grote voldoening,
En eerst en alleen alle verlangen willigden;
Zo is de mens; als het goede er is en er zorgt met gaven
Zelf een god voor hem, kent en ziet hij het niet.
Dragen moet hij eerst; nu echter noemt hij wat hem ’t liefst is,
Nu, nu moeten daar woorden als bloemen ontstaan.’
(Bladzijde 194-195) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.