Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
7
‘Maar vriend! wij komen te laat. Wel leven de goden,
Maar boven ons hoofd ginds in een andere wereld.
Eindeloos werken zij daar en lijken amper acht te slaan
Of wij nog leven, zozeer sparen de hemelsen ons.
Want niet altijd vermag een zwak vat hen te vatten,
Nu en dan slechts verdraagt goddelijke volheid de mens.
Dan is het leven een dromen van hen. Maar de verwarring
Helpt, als sluimer, en sterk maakt de nood en de nacht,
Totdat er helden genoeg in de ijzeren wieg zijn gegroeid,
Sterke harten, als eens, gelijk aan de hemelsen zijn.
Donderend komen zij dan. In de tussentijd lijkt het me dikwijls
Beter te slapen dan zo zonder makkers te zijn.
Zo te wachten en wat te doen nu, wat te zeggen
Weet ik niet, en waartoe dichter in povere tijd?
Maar ze zijn, zegt gij, als van de wijngod de heilige priesters,
Die in de heilige nacht trokken van land tot land.’
(Bladzijde 196) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.