Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
8
‘Want toen voor enige tijd, ons dunkt het lang,
Opwaarts stegen zij die het leven verblijdden,
Toen de Vader zijn aangezicht afwendde van de mensen
En de treurnis met recht op de aarde begon,
Toen verscheen op het laatst een stille genius, hemels
Troostend, die het eind van de dag verkondde en ging,
Liet als teken dat ooit hij geweest was en weder
Zou keren het hemelse koor enkele gaven na,
Waarover we menselijk, als eens, ons konden verheugen,
Want voor vreugde in de geest werd het grote te groot
Onder de mensen, en nog steeds, nog zijn er geen sterk genoeg
Voor de hoogste vreugden, maar stil leeft er nog enige dank.
Brood is de vrucht van de aarde, maar gezegend door het licht,
En van de donderende god komt de vreugd van de wijn.
Daarom gedenken ook daarbij wij de hemelsen, die eens
Hier geweest zijn en die keren te rechter tijd,
Daarom loven ze ook vol eer, de zangers, hun wijngod
En niet ijdel bedacht klinkt dan voor de Oude de lof.’
(Bladzijde 196-197) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.