Weer verder met ‘Hölderlin, biografie vaneen mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 13
‘Hölderlin beleefde bij Landauer een creatieve tijd in een kring van vrienden.
Juist omdat hij zich op momenten
van inspiratie gegrepen voelde door het ‘goddelijke’, had hij dringend de
weldadige, dragende alledaagsheid no-
dig die hij er aantrof. Daar kan een zegen op rusten. De ‘bliksems’ van
Dionysos hebben ter compensatie Vader
Ether van node. Het gedicht ‘Mijn eigendom’ rond die tijd ontstaan, legt dat
verband uit: ‘Er straalt boven de vaste
grond / Schoner voor de rustige man zijn hemel./ Want, net als de plant, wortelt
op eigen bodem / Ze niet, vergloeit
de ziel van de sterfelijke’ […] (MA I, 237 ev.)
Er bestaan gedichten van Hölderlin die de genietingen van het gewone en het
verlangen ernaar onvergetelijk tot
uitdrukking brengen, bijvoorbeeld ‘Avondfantasie’ :
‘Voor zijn hut rustig in de schaduw zit
De ploeger, voor de tevredene rookt zijn haard.
Gastvrij klinkt voor de wandelaar in
Het vredige dorp de avondklok.
Wel keren nu de schippers naar de haven ook
In verre steden, vrolijk verklinkt van de markt
Het drukke lawaai; in het stille prieel
Glanst het gezellige maal de vrienden toe.’ ‘
(Bladzijde 198) Morgen verder met dit hoofdstuk 13.