Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 13
‘Waarheen moet ik? De sterfelijken leven
Van loon en van werk; afwisselend in last en rust
Is alles heuglijk; waarom slaapt dan
Nooit de angel in mijn borst?
Aan de avondhemel bloeit een lente op;
Talloos bloeien de rozen en rustig schijnt
De gouden wereld; o, daarheen neem mij,
Purperen wolken! En moge ginds
In licht en lucht vergaan mij liefde en leed!
Maar als verjaagd door dwaze bede vlucht
De tover; duister wordt het, en eenzaam
Onder de hemel, als altijd, ben ik –
Kom nu, zachte sluimer! te veel begeert
Mijn hart; maar eindelijk, jeugd, vergloeit gij,
Gij rusteloze, dromerige!
Vreedzaam en monter is dan de ouderdom.’
(MA I, 230 ev.)
(Bladzijde 199) Morgen verder met dit hoofdstuk 13.