Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 13
‘De mensen zijn vriendelijk en voorkomend, vooral de heer des huizes wordt in
het zonnetje gezet, een ‘eerbied-
waardige man’. In zijn beschrijvingen kwamen steeds vaker de woorden ‘stil’
en ‘rustig’ voor. Zijn ‘werk’ leverde
hem intussen geen speciale problemen meer op; ditmaal waren het meisjes, de beide
jongste dochters, die hij
moest lesgeven. Hij was verrukt over ‘zoveel onschuldige blijmoedigheid’ (aan
zijn moeder, 24 januari 1801; MA
II, 889).
Thuis was hem niet aangeraden die baan aan te nemen. Zijn moeder wilde
vanzelfsprekend nog steeds dat hij
predikant zou worden, maar ook zijn vrienden in Stuttgart hadden het hem
afgeraden. Daarom deed Hölderlin zijn
best om in de eerste brieven uit Hauptwil de indruk te wekken dat hij het goed
getroffen had en in harmonie met
zichzelf leefde. ‘Intussen vertrouw ik erop dat ik met een goed geweten leef en
mijn plicht doe’, schrijft hij in een
brief aan zijn zus (23 februari 1801; MA II, 892).
Aan de goede stemming van de politiek waakzame Hölderlin droeg ook bij dat met
de vrede van Lunéville in fe-
bruari 1801 een eind kwam aan de Tweede Coalitieoorlog, die vooral in het
zuidwesten van Duitsland tot veel scha-
de had geleid door doortochten, inkwartieringen, plunderingen en gevechten.’
(Bladzijde 200-201) Morgen verder met dit hoofdstuk 13.