Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 13
‘Zijn verwachtingen waren overdreven, zoals de geciteerde passage uit de brief
aan zijn zus duidelijk maakt. Die
komen nog duidelijker naar voren in de brief aan zijn broer, die hij in de
oudjaarsnacht, vlak voor het sluiten van het
vredesverdrag, schreef: ‘Niet dat er een vorm, een mening en bewering zal
zegevieren, dat lijkt mij niet het wezen-
lijkste van zijn talenten. Maar dat het egoïsme in al zijn verschijningsvormen
zal buigen onder de heilige heerschap-
pij van de liefde en de goedheid, en dat gemeenschapszin boven alles in iedereen
zal gaan, en dat het Duitse hart
in een dergelijk klimaat, onder de zegen van deze nieuwe vrede, pas echt zal
opengaan en geruisloos, als de groei-
ende natuur, zijn geheime verreikende krachten zal ontvouwen, dan denk ik, dat
zie en geloof ik, en dat is het wat me
hoopvol en opgewekt naar de tweede helft van mijn leven doet blikken.’ (MA II,
883 ev.)
In die tijd ontstonden de eerste ontwerpen voor de hymne ‘Vredesfeest’,
die hij nooit voltooide en die de grootse en
laatste van de hymnen is in de reeks van ‘vaderlandse gezangen’, zoals
Hölderlin dat ‘gezangengenre’ noemde.
Vaderland – dat is voor Hölderlin in de eerste plaats de streek waar hij
opgegroeid is met de mensen die spreken als
hij en met wie hij gewoontes, gebruiken, religie en culturele traditie deelt.’
(Bladzijde 201-202) Morgen verder met dit hoofdstuk 13.