Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 13
‘De zogenaamde landvorsten zijn ‘dieven’, en de eufemistisch als
landskinderen aangeduide onderdanen zijn ‘be-
drogen’ en worden voor een onwaardige ‘dienst’ gebruikt.
Voor Hölderlin is het een ander vaderland waarvoor het de moeite waard is te
vechten en zelfs te sterven, en dat
is het republikeinse vaderland. Daarom is de definitieve versie van het gedicht
ook gelardeerd met toespelingen op
de Marseillaise. De ‘kinderen van het vaderland’ zijn de ‘enfants de la
patrie’, en ook het woord van de ‘wurgers’ van
de vrijheid duikt in de Marseillaise op; als Hölderlin zegt dat de
‘vaderlandse gezangen verlammen de knieën der eer-
lozen’, verwijst dat naar het in toenmalige berichten beschreven intimiderende
effect van die revolutionair-republikein-
se strijdzang.
Het gedicht ‘De dood voor het vaderland’ is niet meer en niet minder dan
een strijdlied voor de republiek zwierig en
toch ook opofferingsgezind en zelfs verlangend naar de dood. De zanger wil
behoren bij de ‘helden’ en de ‘dichters uit
oude tijden’ die hun hart en hun leven hebben geofferd voor iets wat groter is
dan zijzelf zijn.’
(Bladzijde 203-204) Morgen verder met dit hoofdstuk 13.