Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 13
‘De offercultus kan martiale trekken krijgen, maar bij Hölderlin toont hij
eerder vrome, piëtistische trekken, zoals
uit de overdadig geschilderde beelden uit de verzameling van zaligen onderaan de
offerheuvels blijkt: ‘Tot u/ Gij
geliefden, kom ik, die me leerden/ Leven en sterven, naar u omlaag’. Als
Hölderlin zegt: ‘broederlijk is het hier be-
nee’, klinkt weliswaar de piëtistische broedergemeenschap door, maar ook de
vurige geest van de republikeinse
‘fraternité’. Hölderlin is revolutiegezind.
Die ode ontstond in een tijd dat, zoals eerder al gezegd, de jakobijnse
terreur Hölderlin evenzeer tegen de borst
stuitte als de Franse oorlogsvoering, die intussen een keizerlijke
veroveringsoorlog geworden was. Maar hij bleef
trouw aan zijn revolutionaire idealen, zoals deze ode aantoont, die de opoffering
van het leven voor een vaderland
bezingt dat niet het vaderland van dat ogenblik is, maar een vaderland dat nog
verwezenlijkt moet worden.
Tot de vaderlandse gezangen behoort ook de ode ‘Gezang van de Duitser’,
eveneens rond 1799-1800 ontstaan.’
(Bladzijde 204) Morgen verder met dit hoofdstuk 13.