Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
‘Hij had zijn moeder daarover geschreven: ‘Namelijk, in het geval het (= het
tijdschriftenplan) zou mislukken, zou
dat voor mijn rust, die mij zo dierbaar is, en voor het geduld, waarmee ik me in
de menselijke omstandigheden
handhaaf, een bijna te sterke beproeving zijn, want, zoals gezegd, ik voel dat ik
nog wat sterker moet worden om
me aan dergelijke vernederingen bloot te stellen, die me minstens voor enige tijd
de lust en de kracht zouden ne-
men om onder de mensen iets te bewerken. En ik kan tegenover u wel toegeven,
lieve moeder! dat juist daarop
het welzijn van mijn lichaam en mijn ziel, als ik dat zo zeggen mag, in hoge mate
berust’ ( 29 januari 1800; MA II,
852).
Met het mislukken van beide projecten, ‘Empedocles’ en ‘Iduna’, was
het voor Hölderlin dus duidelijk dat er voor-
lopig geen literair succes in het verschiet lag, dat hij voor een groter publiek
niet bestond en dat daaraan ook wel
niets zou veranderen. Een ‘vernedering’, waaraan hij zwaar leed, maar die hem
nog niet volledig terneerslaat.
Gelukkig waren er vrienden en kennissen die hem moed inspraken. ‘Als ik het
oordeel van mannen en vrouwen
hoor, over mij en mijn aangelegenheden’, zegt hij in een brief aan zijn moeder,
‘zou ik in alle deemoed […] toch
soms willen vragen waarom ik me in de burgerlijke wereld zo moet behelpen’ ( 23
mei 1800; MA II, 686).’
(Bladzijde 178) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.