Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
‘Kennelijk rekende hij erop daar lang te kunnen blijven. Hij wilde betaalde
privélessen geven in filosofie, poëtica
en oude talen. Landauer, als altijd hulpvaardig, was behulpzaam om
belangstellenden te vinden, maar dat had
weinig succes. Een echte cursus of een soort particulier college is er niet
geweest. Het voornemen Landauers
kinderen te onderwijzen was waarschijnlijk alleen maar bedacht om Hölderlin te
vrijwaren voor de greep van het
consistorie. Zijn geldzorgen bleven dus aanhouden.
En toch waren het gelukkige zomer- en herfstmaanden in huize Landauer, vooral
omdat Hölderlin een ongeken-
de scheppingsroes beleefde. Het was alsof het mislukken van zijn publieke
projecten een creatieve onverzettelijk-
heid had gewekt. Alsof de nederlagen hem hadden teruggebracht tot hemzelf. In die
zomer en herfst van 1800 in
Stuttgart ontstonden er grote hymnen, elegieën en odes, allemaal in de nieuwe en
tegelijk vrije en plechtige stijl
die onverwisselbaar was en eindelijk niet meer aan Schiller herinnerde. In die
weken ontwaakte, ongehinderd door
twijfel en kleinmoedigheid, het genie in hem. Hem werd verleend wat hij in het
gedicht ‘Aan de Parcen’ voor zichzelf
Had gevraagd: ‘Slechts één, één zomer gunt gij machtigen! / En één herfst
mij voor een rijp gezang’ (MA I, 188).’
(Bladzijde 180) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.