Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 16
‘ ‘- Maar hij zou op dat eerste moment niets gevoeld en niets gedacht hebben
[…] want hij kan gewoon niets meer
van anderen tot zich nemen’ (St. A. 7.3, 75-77). Zo is het ook gebeurd.
Waiblinger overleed in 1830. Het werd Höl-
derlin verteld. Toen men er later op terugkwam, was hij verbaasd, alsof hij het
voor het eerst hoorde, ‘zo, leeft hij
niet meer?’ (St.A. 7.3, 207).
Waiblinger ziet bij Hölderlin een dubbel isolement, een tegenover de
buitenwereld en een in zijn innerlijk leven.
Niet alleen is de verbinding met de buitenwereld in de zin van een uitwisseling
verbroken; hij is ook afgescheiden
van zijn innerlijke gevoelswereld en de ’nevel’ van dolende ideeën: hij kan
ze zich niet toe-eigenen, ze overkomen
hem, gaan door hem heen; het denken kan ze niet vasthouden, er geen vorm aan
geven; ze vervagen, verdwijnen.
Maar wat de innerlijke kloof betreft, die wordt alleen een kwelling als men
probeert greep op zichzelf te krijgen, zo-
als de communicatieve situatie het vereist. Daarbinnen – en alleen daarbinnen –
wil men een op zichzelf gericht zelf
lijken en bemerkt dan wanhopig dat de middelen daartoe ontbreken. Daarbuiten
verdwijnt evenwel de dwang tot zelf-
toeëigening, men kan zich gewoon laten gaan.’
(Bladzijde 253-254) Morgen verder met dit hoofdstuk 16.