Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Een lap grond van amper een voorschoot groot, maar uitgestrekt als het heelal.
‘Sluit
je ogen! Strek je armen uit.’ Ik herinner me de woorden uit de eerste nacht die
ik hier
doorbracht. Mijn vrienden hadden enkele fietsen buitgemaakt. We gingen zitten op
een
van de vele stenen muurtjes die de zonnewarmte nog gevangen hielden. Er werd
gedron-
ken. We verzonnen avonturen waarin we de wereld veroverden en met elke slok
werden
onze gebaren groter. We hielden een sigaret vast tussen duim en middelvinger en
schoten
de peuken naar de muggen. Tot iemand begon over het zwarte hart van onze stad.
Vier
woorden. ‘Ik ben er geweest.’ Zo weinig woorden zijn er nodig om van iemand een
held te
maken. We giechelden en gaven de fles door. We waren er allemaal geweest. Zeiden
we.
Woorden lopen zoet naar binnen als ze verdund worden met alcohol.
‘Ik ben er geweest.’ Toen de anderen opgelost waren in de nacht en ik door de
nauwe steeg-
jes naar huis liep, verdwaalden mijn voeten.’
(Bladzijde 13-14) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.