Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Ik liep niet langer over straatstenen. De grond was zacht en vochtig en bij
elke stap die
ik zette, was het alsof een hand mijn voeten vastgreep. Het was donker als op een
ster-
renloze nacht. Ik sperde mijn ogen open en moest mijn armen voor mijn gezicht
houden
om me tegen de laaghangende takken te beschermen. Af en toe hield ik halt, maar
hoe
ik ook om me heen keek, ik zag niets. Inktzwart. Ik wist onmiddellijk waar ik
was. Ik be-
doel: ik wist dat mijn voeten me naar de plek hadden gebracht waarover we in al
onze
jeugdige overmoed over hadden opgeschept. De Lac d’ Amour. Een voorschoot
groot,
maar ’s nachts uitgestrekt als het heelal zelf. Hoe kwam het anders dat ik er
zo lang rond-
liep? Los van alle besef van tijd en ruimte – rekbare begrippen als er liefde en
gevaar aan
te pas komen.
Ik hield even halt om op adem te komen en hoorde vlakbij een tak kraken. Zo
donker was
het en zo ingespannen luisterde ik dat het klonk als een vallende boom.
Geschrokken zet-
te ik een stap achteruit en voelde hoe twee armen onder die van mij schoven.’
(Bladzijde 14-15) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.