Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
‘De opeenvolging der jaren is cyclisch, daarom zijn het de jaren met Diotima
ook, wederkerend in nieuwe cycli, en zo
kan opnieuw ‘een jaar onzer ziel’ beginnen. In het gedicht, dat mausoleum van
de onvergankelijkheid, waar ‘de gezan-
gen waarachtig en langer de voorjaren mooi zijn’.
De elegie begint met het hier en nu, met de beschrijving van dwaalwegen die te
pas en te onpas herinneringen wek-
ken, verrukkelijke en smartelijke, want alles spreekt van Diotama’s
afwezigheid. Een zwijgen dat op de natuur overgaat,
want de troost die daarvan uitgaat, blijft uit. Maar zo blijft het niet. De
treurende begint zich te openen en wordt langza-
merhand toegankelijk voor een raadselachtige troost: ‘maar iets vriendelijks
moet/ van verre dichtbij zijn, en glimlachen
moet ik en me verbazen,/ hoe zalig het mij is midden in mijn lijden’ (MA I,
291; v. 26-28).
De elegie bestaat uit negen strofen, waarvan er telkens drie een triade
vormen, die een betekeniseenheid opleveren.
Op het eind van elke triade voltrekt zich de hoge vlucht. Daar wordt het helder,
de duistere horizon opent zich. Het ver-
moeden van onvergankelijkheid komt op.’
(Bladzijde 182-183) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.