Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
‘Maar hoe mooi en stralend de beelden ook zijn, ze blijven toch omgeven door
gevaar en duisternis. Misschien
zijn ze ook zo mooi omdat ze het onheilspellende als achtergond hebben. Dat wordt
nergens zo duidelijk als bij
de mooiste verzen in de vierde strofe, precies in het midden van het gedicht:
‘Maar wij, tevreden samen, als liefhebbende zwanen,
Als ze rusten aan het meer, of op golven wiegend
Neerkijken op het water, waar zilveren wolken zich spiegelen
En etherisch blauw onder de varenden deint,
Zo op aarde wandelden wij. En dreigde het noorden ook,
Die vijand der lievenden, klachten wekkend, en viel
Van de takken het blad, en vloog in de wind de regen,
Rustig glimlachten wij, voelden onze eigen god
Onder ons vertrouwde gesprek […]
Maar het huis is verlaten mij nu; en ze hebben mijn ogen
Genomen, ook mij heb ik verloren met haar.’
(MA I, 292, vs. 43-51, 53-54)’
(Bladzijde 183) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.