Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
3
‘Ook verbergen we het hart vergeefs in de boezem, vergeefs ook
Tomen het gemeld wij, meesters en leerlingen, want wie
Wil het tegenhouden wij, wie wil ons de vreugde ontzeggen?
Goddelijk vuur spoort aan ook, bij dag en bij nacht,
Om op te breken. Kom dan! dat wij het opene schouwen,
En iets eigens wij zoeken, hoe ver het ook is.
Vast staat één ding: of het nu noen is of het loopt
Tegen middernacht aan, altijd bestaat er een maat
Voor ieder gelijk, maar eenieder ook is iets eigens gegeven,
Daarheen gaat en komt ieder, zoveel hij het kan.
Dus! de jubelende waanzin mag de spot drijven met spot
Als in heilige nacht plotseling hij aangrijpt de zanger.
Dus aan de Istmus kom! daarheen waar de open zee ruist
Aan de Parnassus en de sneeuw Delphische rotsen omglanst,
Daar naar het land van Olympus, daar op de hoogte van Kithairon,
Onder de pijnbomen daar, onder de druiven, vanwaar
Thebe beneden en de Ismenos ruist, in het land van Kadmos,
Vandaar komt en daarheen wijst de komende god.’
(Bladzijde 193-194) Morgen verder met hoofdstuk 12.