Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
2
‘Wonderlijk is de gunst der hoogverhevene en niemand
Weet vanwaar en wat iemand geschiedt door haar.
Zo beweegt ze de wereld en de hopende ziel van de mensen,
Zelfs geen wijze begrijpt wat ze verricht, want zo
Wil het de opperste god, die waarlijk u liefheeft, en daarom
Is nog liever dan haar u de bezonnen dag.
Maar somtijds houdt van de schaduw het heldere oog ook
En probeert dan de slaap, vóór de noodzaak er is,
Of een man, bedaard, beschouwt gaarne de nacht,
Ja, betamelijk is het haar kransen te wijden, en zang,
Omdat de dwalende zij heilig is en de doden,
Zelf echter zij eeuwig bestaat, met geheel vrije geest.
Maar ze moet ons ook, opdat in de talmende tussentijd,
Opdat in het duister voor ons iets is wat ons houdt,
Ons de vergetelheid en ons de heilige dronkenschap gunnen,
Gunnen het stromende woord, dat als de minnenden zij,
Slapeloos, vollere bekers en moediger leven,
Heilig geheugen ook om wakker te blijven bij nacht.’
(Bladzijde 193) Morgen verder met dit hoofdtuk 12.