Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 14
‘Dat natuurlijke heldendom raakt hem, maar er is ook nog de ‘treurige
eenzame aarde’, dunbevolkt door mensen
die alle hardheid van het leven verdragen en de zin voor de ‘schoonheden’
ervan koesteren. Dan volgt de vaak geci-
teerde, emblematische zin: ‘Het geweldige element, het vuur uit de hemel en
stilte der mensen, hun leven in de na-
tuur en hun zuinigheid en tevredenheid heeft me voortdurend aangegrepen, en zoals
van helden wel wordt gezegd,
kan ik ook zeggen dat Apollo mij geslagen heeft’ (MA II, 920 ev.).
Het is een verwarrende en ook verwoestende slag van het lot, maar als
exotische gebeurtenis is het ook een eer
door Apollo geslagen te worden. Hölderlin laat zich niet uit over de vraag welke
van de twee betekenissen voor hem
de doorslag geeft.
De door Apollo geslagene kwam eind juni, vanuit Frankfurt of van elders, in
Stuttgart aan en ging meteen naar het
huis van Landauer. Daar of ergens anders ontmoette Hölderlin de dichter
Matthisson, die hij nog uit zijn tijd in Tübin-
gen kende. Wilhelm Waiblinger beschrijft die ontmoeting zoals Matthisson die
later aan hem schijnt te hebben verteld:
hij had rustig in zijn kamer gezeten toen plotseling de deur openging en een man
binnenkwam die hij in eerste instan-
tie niet herkende. Een afschuwelijke aanblik.’
(Bladzijde 218-219) Morgen verder met dit hoofdstuk 14.