Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 14
‘Misschien was er van hem geëist, tegen de afspraak in, dat hij het ambt
van predikant in de kleine Duitse kolo-
nie zou waarnemen. Dat zou een relatief pragmatisch en ondramatisch motief
geweest zijn. Schelling heeft die
versie later overgenomen en doorgegeven. En dan is er al het genoemde, door
Waiblinger in omloop gebrachte
gerucht over de zedelijke verliederlijking. Ook een ander gerucht deed in die
tijd al de ronde; Karl Gok baseerde
zich daarop in zijn pas veel later geschreven biografie van zijn halfbroer:
‘Waarschijnlijk ontving hij van het object
van zijn verering, zijn Diotima, die hij sinds zijn vertrek uit Frankfurt niet
meer had gezien, maar die hij als een hei-
lig geheim diep in zijn borst koesterde, een schrijven waarin ze hem op de hoogte
stelde van een ernstige ziekte
en met een voorgevoel van haar naderende dood voor eeuwig afscheid van hem nam’
(St.A. 7.2, 201). Hölderlin
zou na ontvangst van dat nieuws meteen zijn vertrokken en vervolgens onderweg
hebben gehoord dat Susette
gestorven was. Pierre Bertaux nam die versie over en werkte haar speculatief uit.
Volgens Bertaux was Hölderlin
dus meteen na de tijding van Susettes ernstige ziekte op weg naar Straatsburg
gegaan, waar hij op 7 juni (volgens
zijn uitreisvisum) aankwam.’
(Bladzijde 217) Morgen verder met dit hoofdstuk 14.