Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 14
‘Hij maakte kennelijk akelige dingen mee, waarover hij slechts in bedekte
termen kon spreken. Hij kwam zich voor
als een ‘pasgeboren kind’, dat fortuinlijk ontkomen is aan de
‘levensgevaren’, schrijft hij op de dag van zijn aankomst
in Bordeaux, op 28 januari 1802, aan zijn moeder, en voorts: ‘op de gevreesde
besneeuwde hoogten van de Auvergne,
in storm en wildernis, in ijskoude nacht en met geladen pistool naast me in het
ruwe bed – toen heb ik ook een gebed ge-
beden dat tot nu toe het beste gebed in mijn leven is geweest en dat ik nooit zal
vergeten’ (18 januari 1802; MA II, 916).
Op het laatste stuk van de route in Périgord, door het dal van de Isle, kwam
de wandelaar, ‘gehard en ingewijd’ door de
doorstane avonturen, al de eerste lentewind tegemoet. En toen de aankomst in
Bordeaux.
De ontvangst bij consul Meyer in Bordeaux is hartelijk, maar Hölderlin voelt
zich lichtelijk geïntimideerd door de prachtige
classicistische villa van de rijke wijnhandelaar. ‘Ik woon bijna te prachtig’
(id.).’
(Bladzijde 216) Morgen verder met dit hoofdstuk 14.