Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 4
‘De eerste spanning was weldra voorbij, een paar dagen later noteerde hij in
een postscriptum: ‘Het begin van mijn
kennismaking, mijn bestemming is gemaakt. Ik kon het niet beter treffen. ‘U
zult gelukkig worden,’ zei mijn consul bij
mijn ontvangst. Ik denk dat hij gelijk heeft’ (MA II, 917).
Er zijn tijdgenoten die de overweldigende indruk beschreven hebben die deze
oude trotse handelsmetropool en cen-
trum van de wijnbouw in de aanbrekende lente op bezoekers heeft gemaakt. Een van
hen was Arhur Schopenhauer,
die precies twee jaar later met zijn ouders enige tijd in hetzelfde huis, bij
consul Meyer, woonde. Wat Schopenhauer zo
indringend beschreven heeft, zal ook Hölderlin ervaren hebben, de dagen van het
legendarische carnaval, waar Hölder-
lins lievelingsgod Bacchus of Dionysos als beschermheilige van de wijn zijn
obscene optreden kende, in het algemeen
het gekrioel van maskers op de boulevards, het gefluit en getrommel – dat komt
ook ’s nachts allemaal niet tot rust, zui-
delijke levensvreugde, bevrijding, ook geweld – daar borrelt de stad dan van
over. Danspartijen, overal gezelligheid, ’s a-
vonds hangt er een knoflookgeur boven de straten, en in de open haarden brandt
het kruidige rozemarijnvuur.’
(Bladzijde 216-217) Morgen verder met dit hoofdstuk 14.