Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 13
‘ ‘O vriend! De wereld ligt helderder voor me dan anders, en ernstiger, ja!
Het staat me aan zoals het gaat, het
staat me aan als in de zomer ‘de oude heilige Vader met kalme hand uit rozige
wolken zegenende bliksems
schudt’. Want onder alles wat ik van God kan aanschouwen is dat teken me het
liefste geworden. Verder kon ik
juichen over een nieuwe waarheid, een betere opvatting over wat boven ons en om
ons is, nu vrees ik dat het
mij niet gaat op het eind als de oude Tantalus, die meer van goden gewerd dan hij
verduren kon.’ Daar is ze weer,
de al eerder geciteerde wending; ze behoort tot een in de laatste jaren vaak
voorkomend motief van het vat dat
dreigt te barsten onder het geweld van de inspiratie. ‘Maar ik doe’, vervolgt
hij, ‘wat ik kan, zo goed ik kan, en denk
[…] dat het goddeloos en overspannen is een weg te zoeken die vrij is van alle
bevlieging, en dat tegen de dood
geen kruid gewassen is’ (4 december 1801; MA II, 914).
Na die grote woorden nog enkele aangrijpende: ‘Ik heb lang niet gehuild.
Maar het heeft me bittere tranen gekost
om te besluiten mijn vaderland nu te verlaten, misschien voorgoed. Want wat is me
liever op de wereld? Maar ze
kunnen me niet gebruiken’(id.).’
(Bladzijde 214) Morgen verder met hoofdstuk 14.