Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 13
‘De vrede van Lunéville zal ten slotte even lang duren als de tijd die
Hölderlin aan de hymne werkte. Voltooid
heeft hij ‘Vredesfeest’ niet, maar hem was wel, zoals hij aan zijn broer
schreef, het ‘Duitse hart’ opengegaan.
In de periode van de vaderlandse gezangen en het voorgevoel van de vrede, rond
1800 dus, werkte Hölderlin
nog aan een andere, eveneens onvoltooid gebleven hymne, waarin het visioen van
het keerpunt in de geschie-
denis verbonden is met een nadere bepaling van de rol van de dichter daarbij. Het
is het moment waarop na het
nachtelijk onweer in de ochtend de rust terugkeert en de natuur in een vredige
schoonheid ontwaakt.
Wanneer als op een rustdag om zijn akker te zien
Een landman gaat, des ochtends, als
Uit de warme nacht de verkoelende bliksems vielen
De hele tijd en in de verte nog rommelt de donder,
Binnen zijn oevers weer treedt de stroom,
En fris de bodem groent
En van des hemels verkwikkende regen
De wijnstok druipt […]
(MA I, 262; v. 1 – 8)’
(Bladzijde 207) Morgen verder met dit hoofdstuk 13.